Leven en welzijn van Leendert Beije, opmeter, tekenaar, architect en verzamelaar uit Veere

De auteur van onderstaand verhaal is van Leo Faase.

Leo publiceert regelmatig  in De Wete, kwartaalblad van de heemkundige kring Walcheren. Leo Faase is ook donateur van BSZ. Hij en zijn vrouw hebben een heel leuk boerderijtje opgeknapt tussen Oostkapelle en Vrouwenpolder.

Walcherse Weelde

De Boerderijenstichting Zeeland
Het is alweer twintig jaar geleden dat Kees Beije de Boerderijenstichting Zeeland verrijkte met een deel van het archief van zijn vader, de architect Leendert Beije. Het archief omvatte tal van gedocumenteerde en ongedocumenteerde foto’s, al dan niet opgeplakt in fotoalbums naast tal van schetsen, schetsboeken, krantenknipsels en aantekeningen. Een overvloed aan informatie, die intussen is gedigitaliseerd en, voor zover mogelijk, geordend. Uit de stukken blijkt de grote passie van Leendert Beije voor het agrarisch erfgoed: de boerderijen en alles wat zich op en rond het erf afspeelde. Beije maakte er tal van foto’s en schetsen van. Enerzijds om zoveel mogelijk voor het nageslacht vast te leggen. Anderzijds inspireerde het hem in zijn loopbaan als architect. Van bijzondere betekenis is de verzameling van 258 dagrapporten die het archief bevat, rapporten die hij tussen 9 augustus 1943 en 28 augustus 1944 schreef voor het Nederlands Openluchtmuseum (NOM) te Arnhem. De rapporten lezen als een persoonlijk dagboek. Een tijdsbeeld en een ooggetuigenverslag van een doorzetter in oorlogstijd. In het navolgende doen we een greep uit zijn verslagen van die tijd.

Leendert Beije (1914-2001)
Maar eerst, wie was Leendert Beije? Beije woonde het grootste deel van zijn leven in Veere en we komen hem in het PZC-archief regelmatig tegen als ‘de Veerse architect Beije’. Maar zo begon het niet. Beije werd op 25 maart 1914 geboren te Kerkwerve als zoon van landbouwer Hendrik Beije en Jakomina Boot. Hij was een nakomertje, bij zijn geboorte waren zijn vier broers en twee zussen allen minstens tien jaar ouder. Na de ULO bezocht Beije de ambachtsschool waar hij een opleiding tot bouwkundig tekenaar volgde. Dat bracht hem naar Middelburg waar hij onder meer werkte voor de architect en stedenbouwkundige Frans Klokke. Klokke had zich in 1941 in Middelburg gevestigd, waar al direct na de Duitse bezetting de wederopbouw was begonnen. Waarschijnlijk in die eerste oorlogsjaren heeft Beije zijn vrouw Adriana Jacoba Lameijn leren kennen. Hij trouwde met haar op 14 juli 1943 in Brouwershaven. Daar trok het jonge paar in bij moeder Beije.

De oorlogsjaren
Geruime tijd voor zijn huwelijk, al in 1942, was Beije betrokken bij een project van het NOM. Op 15 juni 1943 trad hij er in dienst. Tegen een vaste vergoeding per week werd hij geacht de landelijke bouwkunst van Zeeland in beeld te brengen. Ook in oude gereedschappen is het NOM geïnteresseerd, liefst gratis verworven, anders tegen een zo laag mogelijke betaling gekocht. Maar een goede tekening van een object was ook welkom. Beije heeft dan al een aardige verzameling krantenknipsels over de meekrapcultuur aangelegd en daar zal hij mee doorgaan, ook als hij daarvoor hele stukken moet overtypen uit door hem geleende boeken. Zelf zegt hij er over: “Ik zou niets liever willen dan alles uitvoerig op papier zetten. Beschrijvingen geven van oude werkmethoden, tot in onderdelen de knepen van het vak vastleggen. Werktuigen nauwkeurig opmeten, fotograferen en beschrijven. (…) Ter plaatse onderzoeken, oude lieden uithoren. (…) Dat is het alles waard, zoveel toewijding als uit het oude blijkt.” Maar ook de verhalen, het immateriële erfgoed, worden niet geschuwd. Als hij in juni ’42 in Ritthem met een ‘oud boertje’ in gesprek komt, hoort hij dat in heel Zeeland en dus ook hier op Walcheren vroeger en ook dan nog alle rietdekkers tevens slager zijn. ‘s Zomers rietdekken en in het najaar varkens slachten bij de boeren, was de eenvoudige verklaring. Beije maakt er een heel verhaal van.
Beije is verplicht ieder dag verslag te doen van zijn werkzaamheden. Bij gebrek aan de juiste formulieren begint hij er pas 9 augustus 1943 mee. In de kop vermeldt hij als functie: Opmeten, fotograferen, verzamelen van gereedschappen, enz. Dat zal later veranderen in kortweg: ‘Opmeter-teekenaar’. Hij vermeldt de begin- en eindtijden van de werkdag, de route die hij die dag heeft afgelegd en het aantal kilometers dat hij (daarvan) heeft gefietst. Voor het fietsen krijgt hij een vergoeding van 2½ cent per kilometer, als het kan gaat de fiets met de tram mee. Zijn eerste rapport begint aldus: “Te Brouwershaven (thuis) lekke fietsband repareren, dubbele buitenband, manchetten enz., van 8.30 uur v.m. tot 11 uur v.m. Elke dag lekke banden, nu nieuwe aangevraagd. Van 11.00 uur v.m. tot 12.30 uur n.m. ‘mollebord’ opgemeten en getekend van L. v.d. Bijl te Zonnemaire”. Op zoek naar oude meestoofrekeningen zal hij die dag nog naar Burgsluis gaan waar hij praat met de zoon van een meestoofaandeelhouder en met een oude werkman over meestoof De Zeeuw. In Burgh krijgt hij van oud-burgemeester Boot nog wat adressen en van hem leent Beije een paar boeken die onder meer over de meekrapteelt gaan. Hij zal dan ook Joh. Dalebout bezoeken voor een tweede mollebord. Beije eindigt zijn verslag aldus: “Te Burgh weer lekke band, vlakbij het tramstation”.
Dit eerste rapport is exemplarisch voor de velen die zullen volgen. Die lekke banden zullen hem dagelijks bezighouden. Nieuwe banden zijn op de bon, moeilijk verkrijgbaar en van slechte kwaliteit. Het wordt meteen duidelijk dat de oorlogssituatie het hem niet makkelijk maakt. Die situatie wordt iets dragelijker als hij op 11 augustus na bijna een jaar wachten zijn kunstgebit ontvangt en hij daardoor zijn informanten wat vrijmoediger kan aanspreken.

Opmeter, tekenaar, verzamelaar
Beije’s hoofdtaak is het opmeten van historisch agrarisch erfgoed, maar daarvoor heeft hij een helper nodig. Voor helpers benadert hij de Ambachtschool: “De directeur geeft ze graag mee, dat ze wat leren.” Maar veel langer dan een week mag het schoolverzuim niet duren. Het kost hem toch nog wel moeite. Of het ‘jongetje’ vindt de beloning van tien gulden per week te laag, of wordt ziek, of blijft weg: “ ’t is telkens wat met die verwende jongetjes op de ambachtsschool”. De beloning zal uiteindelijk ƒ1,75 per dag worden. Maar ook Beije vindt zijn eigen beloning aan de lage kant: “het salaris is minimaal, nu ik getrouwd ben en alles heel duur is geworden”. Voor enige verlichting zorgt wellicht dat ir. Klokke hem heeft gevraagd (in de avonduren) bouwtekeningen te maken voor een complex van 60 arbeiderswoningen te Souburg.
De communicatie met het NOM verloopt soms stroef. Hij krijgt weinig commentaar op zijn rapporten. Het duurt lang voor er een reactie komt op gestelde vragen en verzoeken om een goede meetband, fotorolletjes of schetsblokken. De filmrolletjes zijn van slechte kwaliteit en het duurt weken voordat declaraties zijn verwerkt en toegezonden cheques kunnen worden geïnd.
In het halfjaar van zijn verblijf op Schouwen houdt Beije zich vooral bezig met de meekrapcultuur en de vlasteelt. Aanvankelijk was hij snel op het eiland uitgekeken: “Op Schouwen weet ik maar een doodenkel object meer dat waard is opgemeten te worden (…) ’t Is treurig maar waar, alles verdwijnt hier snel.” Dat geldt zeker voor de meestoven. Meestoven zijn vaak niet meer compleet want omgebouwd voor de cichoreiproductie en daarna afgedankt. Alleen de ovens van Noordgouwe staan nog op zijn lijst. Later wordt hij minder kritisch en zal hij Vermeulen, de waarnemend burgemeester van de gemeente Duivendijke, helpen om, samen met het NOM, de Schouwse stolphoeve van Jac. Viergever (De Braadpanne) van de ondergang te redden door er een (streek)museum van te maken. Het zal er niet van komen. Begin september gaat hij een paar dagen naar Middelburg om de collectie meekrapgereedschap van A. van der Weijde te bekijken, eigendom van de ZLM en in bruikleen gegeven aan het Zeeuws Genootschap. Hij vind ze in een grote raamnis van de Abdij, en: “In de gangen opgesteld begraven onder het stof een lange rij boerenwagens en rijtuigen (door een wonder gered in 1940).” En passant bewondert hij in de directiekeet het Middeleeuws aardewerk en gaat hij naar Koudekerke om het paardenhoefstalletje (travalje) aldaar op te meten. Weer thuis brengt Beije oude gereedschappen in kaart en schaft ze waar mogelijk aan. Zo komt hij in bezit van nagenoeg alle gereedschappen die in de meekrapteelt en -verwerking gebruikt zijn, zo’n 70 jaar nadat de meekrapteelt instortte. Zelfs een eestkleed uit de droogtoren van de stoof kon worden meegenomen.
Tegels en tegeltableaus die hij tegenkomt wil hij wel overnemen en dat lukt vaak. De bewoners geven niet veel om het oude spul, als het maar wat oplevert en de muur netjes wordt afgewerkt. Ook wagenmakers en smeden zijn niet veilig. Zelfs een Kop van Jut wordt voor het NOM aangekocht, met een optie voor een draaiorgel à ƒ 800,-. Maar het lukt hem niet om een wand-handbeugel-ijzerboor in handen te krijgen. De smid vraagt er 50 gram Hollandse tabak voor en dat vindt Beije echt te duur en het is bijna niet te krijgen: “Ik rook nooit en heb daardoor weinig belangstelling en relaties in het zwart!”
Zonder helper meet hij de wat kleinere projecten op, kleine arbeidershuisjes, hoefstalletjes, vlasdompen en zwingelschuren. Grotere boerderijencomplexen, zoals Goemanszorg (Dreischor) vergen een helper en dan nog zijn ze er een week mee bezig. De laatste Goemans woont er nog: “Beije dat moet je mij ook eens nadoen, 80 jaar in dezelfde kamer wonen”. Het valt hem wat tegen te horen dat de boerderij was opgebouwd met onderdelen (deuren, ramen) van een buitenplaats onder Schuddebeurs: “doch er gaat niets van af; het is een mooi boerenhuis”. Intussen komt het oorlogsgeweld steeds dichterbij. Thuis vliegt een kleine granaat door het dak. Begin september wordt de veerboot Katseveer-Zierikzee tot zinken gebracht, vierentwintig mensen verdrinken. De veerboot naar Zijpe ondergaat zes weken later hetzelfde lot en ook worden treinen beschoten. Mobiliteit wordt lastig. “Ik voel er bitter weinig meer voor met de boot of trein mee te gaan”, schrijft hij. Door de voortdurende aanwezigheid van Duitse militairen wordt het opmeten ook steeds moeilijker. Bovendien is een fototoestel een verboden bezit. Gas en elektriciteit zijn gerantsoeneerd dus ’s avonds aan tafel met vier kaarsen dagrapporten typen. Een bombardement op Brouwershaven zorgt ervoor dat bij de familie Beije een gezin van vijf personen komt inwonen. Toch waagt Beije nog regelmatig de oversteek naar Walcheren. De Kerst brengt hij door bij familie in Middelburg. Ook bezoekt hij ir. Klokke in Veere die voor hem een terreintje heeft uitgezocht om na de oorlog zijn eigen huis te kunnen bouwen.
En in opdracht van het NOM bezoekt hij eind januari smeden in Veere en Middelburg om na te gaan of zij goed siersmeedwerk kunnen leveren voor de wederopbouw. Over Meijers uit Veere en Van Hecke, Minderhout en Pluimers uit Middelburg is hij zeer tevreden. De jacht op de mesheften brengt hem twee weken later weer op Walcheren. Op Schouwen stijgt het water in de polders en ook op Walcheren is dan al een gedeeltelijke evacuatie aan de gang. Om die reden mist hij de heftensnijders Krijger en Pouwer. Hij spreekt er met Castel die niets te koop heeft en weinig animo meer heeft om te snijden . Ook bezoekt hij Trieler, stoffeerder en beddenmaker te Domburg. Beije: “Ik kan niets anders zeggen dan dat de mesheften van Trieler mijn stoutste verwachtingen overtroffen. Ze zijn minutieus en met bijzondere toewijding gesneden”. Ook zijn beide zoons zijn goede snijders maar, meent Trieler: “Zij hebben niet meer het rustige en enigszins teruggetrokken leven van de goede oude mesheftensnijders, ze zijn ingelijfd in het moderne toeristen- en dagjesmensenbedrijf van Domburg.” Zo dreigt ook dit charmante, door en door volkse liefhebberijwerk te verdwijnen, denkt Beije. Vooral ook door het verdwijnen van de Zeeuwse dracht. Beije neemt node afscheid van Trieler, maar hij moet nog naar Westkapelle, op de fiets met een koude ijzige wind. Beije: “Onder Aagtekerke vielen mij eenige oud-Zeeuwse kousenrekken op (…) verder geniet ik steeds van de typische Zeeuwse versieringsmotieven aan boerderijen en arbeiderswoningen. Hierbij bekruipt mij steeds de lust (…) om deze motieven, bij nieuwbouw toe te passen”. Dat goede architecten de streekeigen nuancering achterwege laten, vindt hij een grote fout. Eschauzier met zijn verbouwing van het notarishuis te Koudekerke en Briët met zijn woningcomplex in Middelburg steken hierbij gunstig af.

Evacuatie
Als hij twee dagen later huiswaarts keert, is de evacuatie van Tholen en Schouwen-Duiveland in volle gang. Beije schetst een beeld van vluchtelingen in oorlogstijd dat lijkt op wat we ook vandaag de dag nog zien: “Oude hortende autootjes, karretjes, fietsers met oude mensen achterop, weer andere fietsers die een hoog opgeladen kinderwagen met koffers meezeulen en dat alles richting Brabant met felle tegenwind.” Zijn fietsband heeft het definitief begeven, dat betekent dus lopen en meeliften met boerenwagens. Bij Zijpe kan hij met een kennis mee naar Noordgouwe: “Felle oostenwind, met z’n vieren onder een groot zeil op de dansende en springende luchtbandenwagen. (...) Maar rijden en nog eens rijden. Dan weer hele einden stapvoets om de paarden te laten uitrusten (…) hier en daar groote gele lichten, dat bleken stroovuren bij de boeren die nu hals over kop hun keuen gingen slachten om althans op den vreemde vooreerst geen gebrek te hebben. Opeens was geen slachtvergunning meer nodig.” De volgende dag helpt hij zijn broer die op Kerkwerve boert met de evacuatie naar Abbekinderen bij Kloetinge, waar een andere broer boert op hoeve Plantlust. Moeder gaat mee. Broer heeft een zeilschip gehuurd dat vanuit het haventje van Flauwers bij hoogwater naar de Goese Sas zal varen. Steeds zijn er vliegtuigen in de lucht en is er gevaar voor beschietingen, maar het wolkendek zorgt voor genoeg camouflage. Beije: “Met schemer het uitladen van koeien en paarden, (…) Halsbrekende toeren, knecht onder paard, geen letsel. Nu met de veestoet midden door Goes naar Hoeve Plantlust. (…) Ik wilde beslist zèlf met schip mee, om zeker te zijn wat moeder gebeurde onderweg. Beschieten, verdrinken, ook hoe ontvangst bij schoonzuster (!) zou zijn.” Een paar dagen later is Beije zelf aan de beurt. De evacuatie is niet vrijwillig meer. Als zijn broer weer een overtocht maakt met veevoer kunnen Beije en zijn vrouw mee, met inbegrip van kleren, eten, brandstof (kolen), een bed, een vloerkleed en een kastje. Het was allemaal veel te veel volgens de politie (200 kilo was toegestaan), maar dat geharrewar werd gesust. Bovendien moest er een jonge boer mee: “Man, vrouw kindje van 3 weken en kindje van 1 jaar en 3 jongens van 6, 8 en 10. Alles met boerenwagen met huisraad en span paarden via Goes naar de Wieringermeer !” Het werd een lange vaartocht, wachten op hoog water, windstilte, voor anker ter hoogte van polder ‘Al te Klein’, zeven uur wachten op de vloed en daarna midden in de nacht uitladen in Goes en na één nachtje Plantlust op zoek naar onderdak. Dat viel niet mee – ze zien je aankomen had broer Beije al gezegd – het werd dus inkwartiering op last van de gemeente bij twee oudere mensen aan de ’s Gravenpoldersestraat in Kloetinge, waar ze overigens hartelijk werden ontvangen.

Het is typerend voor Beije dat hij, zodra de kamer was ingericht, op pad ging naar Yerseke om de heftensnijder Danker te bezoeken. Hij is niet van hem onder de indruk: de heften zijn met weinig geduld tamelijk grof gesneden. Wel is Beije onder de indruk van zijn instrumenten. Danker, maar hij niet alleen, maakt zijn beiteltjes zelf van breinaalden, fietsspaken of paraplubaleinen. Beije blijft rusteloos op zoek naar oud landbouwgereedschap. Ook aan op te meten objecten is geen gebrek, de Albertinahoeve, waar de zoon van zijn huisbaas Van de Linde boert,’t Hof Tilburg en ‘t Hof Welgelegen in De Groe staan hoog op zijn lijstje, maar helpers kan hij niet vinden. Hij begint dan maar zelf aan de Albertinahoeve. “Daar stond ik nu moederziel alleen en dan te weten dat in Friesland zes man tezamen aan ‘t opmeten is! Zeeland is wel schraal bedeeld.” Beije gaat nog een keer terug met de beurtschipper naar Schouwen om spullen en vooral zijn boekencollectie op te halen. Met meer geluk dan wijsheid weet hij vervoer te regelen naar en van de boot, maar relatief weinig kan mee. Het ziet er niet naar uit dat de Kop van Jut Arnhem ooit zal halen. Maar de helperkwestie nadert een oplossing. In de loop van april worden twee helpers aangenomen en met z’n drieën kan de opmeting van Welgelegen ter hand worden genomen. Dan veranderen de levensomstandigheden van Beije weer drastisch. Het huis waarin hij met zijn vrouw een ruime kamer bewoont wordt door de weermacht gevorderd. Op staande voet moet hij eruit. Een nieuw verblijf wordt hen aangewezen, maar de nieuwe gastvrouw, een onmogelijk mens, werkt hen er binnen een dag uit en ze verkassen naar een kleine kamer aan de overkant, Buijs Ballotstraat 11. Ook de fietsbandenkwestie speelt weer op. Beije’s verzoek om prioriteit te krijgen voor bandenbonnen wordt afgewezen. Die is er alleen voor nuttige beroepen, verpleegsters, onderwijzers en dergelijke en het NOM is geen nutsinstelling, krijgt hij te horen. En dat betekent dat hij nauwelijks meer in aanmerking komt voor nieuwe banden. Tot overmaat van ramp moet hij van de burgemeester twee weken ‘aan de overwinning’ gaan werken bij de weermacht in Vlissingen. Twee weken later blijkt dat zijn helpers hetzelfde lot ondergaan, dus weer een tijdje alleen werken. Hij maakt dan maar schetsjes van de typisch Zeeuwse siervormen in zijn omgeving en begint aan de ‘bakkeeëte’ van Welgelegen.
Als helper Tramper door de weermacht is vrijgelaten kan de opmeting van Welgelegen worden afgemaakt en trekken Beije en Tramper naar de Rooie Hoeve van pachtboer De Pree bij Kwadendamme. De hoeve was vroeger oranjerood geverfd en dat is onder de zwarte teerlaag nog te zien. Volgens de eigenaar, Trimpe Burger, waren er 100 jaar geleden zeker wel 25 zulke rood geverfde hoeven in de zak van Zuid-Beveland. Tussen de bedrijven door moet Beije zich bij het arbeidsbureau melden. Zijn vaste aanstelling bij het NOM behoed hem voor tewerkstelling in Duitsland. Roepman wordt zijn nieuwe tweede helper. De Rooie Hoeve is nu na twee weken werk klaar en vervolgens wordt Kwistenburg van boer Smulders onder handen genomen. Het is intussen juni geworden als de dagrapporten plotseling ophouden. Alsof er niets aan de hand is wordt de rapportage zeven weken later weer hervat. Beije blijkt dan in Veere te wonen, twee nieuwe banden te hebben voor zijn achterwiel en de helpers zijn bezig met het opmeten van hoeve Landlust aan de Molenweg bij Nieuwdorp. Op Landlust zet Beije de boerin met haar twee dochters en drie zonen op de foto. Beije: “Voor deze gelegenheid hadden zij zichzelf op hun ’s zondags aangekleed. Opmerkelijk was bij de dames te zien de zeer brede bloedkoralen halssnoeren. (…) De witten kanten mutsen zeldzaam fijn, Katholiek model. (…) De zoons allen in C.&A. pak!” Nadat de mannen van de ‘opmeetfabriek’ nog een timmerwinkel bij Nieuwdorp in kaart hebben gebracht wordt de oversteek naar Walcheren gewaagd, waar een wit boerderijtje aan de Rijksstraatweg tussen Arnemuiden en Nieuwland en de boerderij Molenzicht bij Nieuwland de nieuwe projecten zijn. Eerst moet Beije nog tweemaal een weekje spitten voor de weermacht maar na een week worden de rapportages definitief gestopt. Op 28 augustus 1944 eindigt zijn laatst rapport met de woorden: “Morgenochtend dan weer een nieuwe aanval op de fietsbanden. Ik ben nog niet aan het eind van de mogelijkheden!”
Wat er verder precies gebeurde is onbekend. Ook het NOM kan geen uitsluitsel geven, sterker nog, bij navraag blijkt dat Beije bij het NOM niet bekend is, wat te denken geeft, zeker voor een erfgoedinstituut . We weten wel dat de opmetingen aan Molenzicht ver gevorderd waren, want in het archief van Beije zelf vinden we, naast een vijftigtal schetsen van Kwistenburg, ook ca. 30 schetsen van Molenzicht, gedateerd 23 t/m 29 augustus. Overigens is deze ‘kapitale boerderij’ in de nacht van 27 op 28 januari 1954 in vlammen opgegaan . Gelukkig hebben we die schetsen nog.

Na de oorlog
Na de oorlog vestigde Beije zich als zelfstandig architect in de ‘Houttuin’ aan de Kaai in Veere. Hij kreeg er een zoon en een dochter en bouwde er een succesvolle praktijk op. De wederopbouw van Zeeland, na de oorlog en na 1953, brachten hem veel werk. Hij ontwierp arbeiderswoningen, burgerhuizen en boerderijen, landbouwschuren, dorpshuizen, winkelpanden, (kleuter)scholen, wijk- en verenigingsgebouwen en deed verschillende restauraties (zoals die van de Hooge Hoeve bij Dreischor). Voorbeelden van zijn werk zijn de boerderij Niet Altijd Winter bij Veere, de wijkgebouwen van het Groene Kruis te Arnemuiden en Veere (nu de huisartsenpraktijk), het pand naast de Gasthuiskerk aan de Lange Delft in Middelburg, een dierenasiel aan het Arnemuidsvoetpad, de Valeriusschool en het verenigingsgebouw in Veere. In 1955 gaat een grote wens in vervulling als hij toestemming krijgt om in Veere een eigen huis te bouwen en begin 1958 worden zijn advertenties voor Openbare Aanbestedingen geplaatst vanuit de Warwijksestraat A 107 a Veere (nu nr 25). Zijn werk kon op veel waardering rekenen, het kenmerkte zich door functionaliteit en een zekere eenvoud, maar altijd wel met een verwijzing naar de traditionele Zeeuwse bouwkunst waarin versierende elementen niet werden geschuwd en de bouwbegroting zelden werd overschreden. Zijn laatste advertentie verscheen op 6 december 1974.
Beije was bevriend met Jac Prince en Han Reinout . Met Han Reinout was hij vaak op pad en bleef hij foto’s en tekeningen maken van het Zeeuwse agrarisch erfgoed en vooral van de details die hem boeiden. In Beije’s archief bevonden zich dan ook naast talloze zwart-wit foto’s niet minder dan 738 inmiddels gedigitaliseerde kleurendia’s, de meesten van het Walcherse platteland.
Beije’s vrouw Adriana Jacoba Lameijn overleed op 10 april 1985, Leendert Beije op 2 juli 2001. In leven architect, dichter en fotograaf lezen we in zijn overlijdensbericht.

1. Na de oorlog zal Castel regelmatig in het NOM demonstraties geven, in streekdracht. Zie: Janneke Jacobs, Zeeuwse               Snikkerieë: de unieke wereld van de paardenmes-snijders vanaf de twintigste eeuw, 2025, p.35.
2. Op dit punt heeft Beije niet gelijk gekregen; het mesheftensnijden is, los van de Zeeuwse dracht een geheel eigen leven       gaan leiden. Zie Janneke Jacobs.
3. R.C.Hekker verwijst in zijn monografie over de Schouwse Stolp, in 1985 uitgegeven door het NOM, nog naar Beije die in       1943 in opdracht van het NOM een onderzoek instelde naar de drie overgebleven Schouwse stolpen.
4. ZB, Krantenbank Zeeland, Dagblad De Stem, 29-01-1954.
5. Gees R. Gmelich Meijling – van Hemert, Han Reinout Portret van een Zeeuws kunstenaar, Vlissingen, oktober 2009, pp            27-31.